Een zacht slaapverhaaltje uit het Praatdeurtjesbos. Lees het zelf voor, of speel het filmpje af en luister samen.

Die ochtend wordt Mosje wakker met één voet buiten zijn deken. Het is al warm in zijn boomhuisje. Door het ronde raampje valt een brede streep zon op de vloer. Zelfs zijn grijsgroene deurtje voelt warm aan.
Mosje wast zijn gezicht met koel water en zet zijn rode puntmuts op. Buiten hoort hij in de verte een zacht plonsje.
‘Vandaag ga ik naar het meertje,’ zegt hij. ‘Daar is vast een koel plekje.’

Onder de bomen is het stiller dan anders. De blaadjes hangen loom en de varens bewegen bijna niet. Mosje loopt rustig, want op een hete dag hoeft niemand te haasten.
Bij iedere bocht klinkt het plonsen een beetje duidelijker. Eerst één plons. Dan twee. Daarna een hele rij kleine plonsjes.
Tussen de stammen ziet Mosje het meertje glinsteren. Het lijkt wel of het water allemaal zilveren knipoogjes naar hem stuurt.

Mosje gaat op de zachte mosrand zitten, vlak bij het riet. Hier voelt de lucht meteen koeler. Het water ruikt fris en op de oever groeien witte en roze bloemetjes.
Hij legt zijn handen achter zich en kijkt naar de lichtjes op het meertje. Een waterjuffer scheert laag voorbij. Een kringetje wordt groter en verdwijnt weer.
Mosje zucht tevreden. Alleen al kijken naar het rustige water maakt de warme ochtend zachter.

Dan beweegt het riet. Een klein kikkertje springt van de kant.
Plons.
Nog een kikker strekt zijn achterpoten en glijdt het water in. Plons. Twee andere kikkers duwen tegelijk af en laten ronde spatjes achter.
Mosje steunt met zijn kin op zijn handen. De kikkers gaan vooruit zonder te rennen. Hun pootjes worden eerst wijd, daarna klein, en dan schieten ze zacht door het water.
‘Dat wil ik ook kunnen,’ fluistert Mosje.

Mosje gaat op een droog stukje mos zitten. Hij strekt zijn benen voor zich uit en probeert de beweging na te doen.
Zijn voeten gaan allebei een andere kant op. Zijn knieën botsen bijna tegen elkaar. Bij de volgende poging rolt hij langzaam op zijn rug, met zijn laarzen recht omhoog.
Mosje moet lachen. ‘Mijn voeten verstaan de kikkertaal nog niet.’
Hij probeert nog eens, maar nu heel rustig. Wijd. Weer terug. En een klein duwtje in de lucht.

Mosje zet zijn laarzen netjes naast elkaar op het mos. Hij schuift eerst één blote voet in het water.
‘Brrr,’ zegt hij. ‘Koel!’
Dan komt zijn andere voet erbij. Het water staat niet hoger dan zijn enkels. Onder zijn tenen liggen ronde steentjes en vlak naast hem groeit stevig gras waaraan hij zich kan vasthouden.
Mosje blijft heel stil. Kleine rimpeltjes lopen bij zijn voeten vandaan en raken voorzichtig de groene oever.

Mosje kijkt naar het open water. Daar is het donkerder blauw dan bij de kant. Hij trekt zijn voeten meteen een stukje terug naar het ondiepe randje.
‘Ik kan nog niet zwemmen,’ fluistert hij.
Het voelt spannend om dat hardop te zeggen. Toch wordt het in zijn buik juist rustiger. Mosje hoeft vandaag niet naar het diepe. Hij hoeft ook niets alleen te proberen.
Hij laat zijn voeten veilig tussen de lichte steentjes staan en wacht.

Tussen de waterlelies verschijnt een groene kop. Het is Boeba, met zijn bladerkroontje en rode strik. Hij zwemt kalm naar de kant en gaat vlak naast Mosje zitten.
‘Ik hoorde een heel dapper zinnetje,’ kwaakt Boeba.
Mosje kijkt hem aan. ‘Maar ik zei juist dat ik iets niet kan.’
‘Precies,’ zegt Boeba. ‘Vertellen wat je nog niet kunt, helpt om veilig te leren.’
Mosje knikt. Dat klinkt als een goede eerste les.

Boeba wijst naar de lichte steentjes onder Mosjes voeten. ‘Hier blijven we. Waar jij de bodem ziet en met je handen bij het gras kunt.’
Mosje kijkt goed. Het ondiepe stukje is maar klein en helder. Verder gaan ze niet.
‘En ik blijf naast je,’ zegt Boeba.
Samen spreken ze drie regels af: alleen aan de rand, altijd naast elkaar en stoppen zodra Mosje dat wil.
Mosje herhaalt ze zacht. Nu weet hij precies waar zijn oefenplek is.

Eerst oefenen ze nog een keer op het mos. Boeba trekt zijn achterpoten rustig naar zich toe. Dan maakt hij ze wijd, sluit ze in een ronde beweging en duwt ze lang naar achteren.
‘Wijd, sluit, duw,’ kwaakt hij.
Mosje doet mee met zijn blote voeten. De eerste keer gaat links sneller dan rechts. De tweede keer worden zijn benen al bijna een spiegel van elkaar.
‘Niet groot hoeft goed te zijn,’ zegt Boeba. ‘Rustig is belangrijker.’

Mosje gaat weer op de kant zitten. Zijn handen rusten stevig in het gras en zijn voeten hangen in het heldere, ondiepe water.
‘Wijd, sluit, duw,’ zegt hij.
Hij duwt veel te snel. Spat! Een waaier water vliegt omhoog en landt op zijn eigen puntmuts. Mosje knippert. Boeba knippert ook.
Dan lachen ze allebei.
‘Het water hoorde vooral duw,’ zegt Boeba. ‘Zullen we wijd en sluit ook wat tijd geven?’

Boeba gaat languit in het ondiepe water liggen, precies naast Mosje. Heel langzaam trekt hij zijn poten in. Hij maakt ze wijd, brengt ze rond naar elkaar en strekt ze zacht uit.
Er ontstaan geen hoge spatten. Alleen twee rustige golfjes die naast elkaar over de steentjes rollen.
Mosje kijkt naar Boeba’s knieën, hielen en tenen. Nu ziet hij dat de kracht niet uit één harde schop komt. De hele ronde beweging helpt mee.

Mosje ademt in en laat zijn schouders zakken. Zijn voeten gaan wijd. Zijn hielen zoeken elkaar. Daarna duwt hij het water rustig naar achteren.
Eén klein golfje glijdt naar het riet.
‘Nog eens,’ zegt Mosje.
Deze keer bewegen zijn voeten tegelijk. Wijd. Sluit. Duw. Boeba blijft zo dichtbij dat Mosje zijn groene hand op de oever ziet rusten.
‘Je voeten verstaan al drie woorden kikkertaal,’ zegt Boeba trots.

Mosje probeert de beweging drie keer achter elkaar. Bij de eerste slag denkt hij aan wijd. Bij de tweede aan sluit. Bij de derde aan duw.
Rond zijn enkels dansen kleine kringetjes. Zijn handen blijven op het gras en Boeba blijft naast hem. Mosje gaat nergens heen, maar toch voelt het alsof hij iets nieuws heeft bereikt.
‘Ik kan de kikkerslag met mijn voeten,’ zegt hij blij. ‘En ik weet waar ik veilig moet blijven.’

Ze laten hun voeten drogen in de zon. Boeba rust tussen het riet en Mosje trekt zijn laarzen weer aan. De heetste lucht is verdwenen; tussen de bomen waait nu een klein briesje.
‘Morgen hoef je niet verder,’ zegt Boeba. ‘Je mag eerst gewoon nog eens oefenen wat je kent.’
Mosje zwaait bij het pad. Op de terugweg zegt hij bij iedere stap heel zacht: ‘Wijd, sluit, duw.’ Zijn laarzen lopen precies in hetzelfde rustige ritme.

Die avond ligt Mosje schoon en moe in zijn bed. Zijn rode puntmuts hangt aan het haakje en achter het ronde raampje wordt de lucht langzaam blauw.
Mosje denkt aan de lichte steentjes, aan Boeba die naast hem bleef en aan het dappere zinnetje dat alles makkelijker maakte. Hij hoeft niet alles vandaag al te kunnen.
In gedachten bewegen zijn voeten nog één keer: wijd, sluit, duw.
Buiten wordt het meertje glad. Het riet staat stil. Boeba rust veilig tussen de bladeren. Mosje ademt in en langzaam weer uit. Dan sluiten zijn ogen en slaapt hij.
🌙 Wil jij ook zo’n deurtje als bij Mosje in huis? Bekijk de handgemaakte praatdeurtjes in de winkel.
Nieuw in het Praatdeurtjesbos? Lees wie Mosje en zijn vriendjes zijn.
